Martine van Wolfswinkel

Altijd onderweg – Gedachten over het goede leven


De uitdaging van de preek

Een paar weken geleden preekte ik weer eens bij Arusha Community Church. De tekst waarover ik preekte was Exodus 1:8-2:10.

Het maken van een preek is een interessant proces, dat allerlei uitdagingen kent. Je moet niet alleen de oorspronkelijke betekenis van de tekst goed begrijpen, maar deze ook breder kunnen trekken en kunnen toepassen in deze tijd. En als je dat dan na allerlei graaf-, studie- en bidwerk hebt gedaan, moet je de boodschap die je wilt overbrengen ook nog eens ‘verpakken’ in een goed opgezet verhaal, zodat het ook echt overkomt.

En zelfs dat is allemaal nog wel te doen, met de hulpmiddelen die daarvoor beschikbaar zijn. Een goede studiebijbel, (online) commentaren, een boekje over het maken van een preek, en veel oefenen. Maar waar ik deze keer het meest tegenaan liep was de uitdaging van de boodschap zelf.

De tekst waarover ik preekte gaat over een machtswisseling die plaatsvindt in Egypte, waarna de afstammelingen van Jacob, het volk Israël, vervolgd wordt door de Farao. Hij doet dit allereerst door zijn volk op te zetten tegen de ‘vreemdelingen’. Vervolgens dwingt hij de Israëlieten tot slavenarbeid. Tenslotte geeft hij twee vroedvrouwen de opdracht alle pasgeboren jongetjes te doden, en als zij niet mee blijken te werken, moet  iedereen pasgeboren ‘Hebreeuwse’ jongetjes in de Nijl te gooien. Het is, kortom, een poging de (vermeende) macht van dit volk te breken en hun in aantal te doen afnemen. Maar te midden van al deze ellende is er een onderstroom van verzet zichtbaar, en een begin van redding. Dit verzet komt van vier vrouwen en een meisje. De twee vroedvrouwen weigeren de Hebreeuwse jongetjes te doden, en verdedigen zich bij de Farao met een smoesje. Dan is er de moeder van Mozes, die haar kind 3 maanden verbergt, en in een mand van papyrus aan de oever van de Nijl achterlaat. De zus van Mozes (Miriam, het meisje) houdt het in de gaten en als de dochter van de Farao arriveert om zich te baden in de Nijl, en het kind vindt, krijgt zij medelijden met hem en neemt hem aan als haar eigen zoon, terwijl ze weet dat het een Hebreeuws kind is. Miriam heeft ondertussen gezorgd voor een voedster (haar eigen moeder), zodat het kind eerst nog een jaar of drie thuis kan blijven. Door het dappere verzet van deze vier vrouwen en het meisje, kunnen de plannen van de Farao niet worden uitgevoerd zoals hij had gehoopt, en wordt er een jongetje gered die later van God de opdracht zal krijgen zijn volk uit Egypte te bevrijden.

Wat is hier nu de taak van de (s)preker, van degene die dit verhaal gaat vertellen en vertalen voor een specifieke gemeente, in een specifieke tijd en plaats?

Wat in dit verhaal sterk naar voren komt, is de tegenstelling tussen een dominante en kwaadaardige heerser aan de ene kant en het onderdrukte volk aan de andere kant. Het is macht tegenover onmacht, grootspraak tegenover eenvoud en hoogmoed tegenover geloofsvertrouwen. Met daarbij de krachtige boodschap dat God aan de kant van de onderdrukten staat en dat verzet vanuit geloofsvertrouwen zin heeft. Dat God al bezig is met een reddingsplan, terwijl daar nog maar weinig van zichtbaar is.

Dit deed mij denken aan het boek van Walter Brueggemann: “The Practice of Prophetic Imagination – Preaching an Emancipating Word”. Brueggemann stelt dat er in de bijbel twee “narratives”, twee “grote verhalen” naar voren komen. Er is het “grote verhaal” van de machthebbers, die zich onafhankelijk van God wanen, en denken door macht en kracht en economisch gewin verder te komen in de wereld. Dit is het “dominante verhaal”, waar velen in meegaan. Daartegenover staat het “alternatieve verhaal”; het verhaal van een wereld waarin God centraal staat en handelend aanwezig is. Wie daarop vertrouwt, gaat mee in dat verhaal.

Dat is dan ook de taak van de (s)preker: om dit alternatieve verhaal zichtbaar en aannemelijk te maken. Niet alleen in de bijbeltekst, maar ook in het hier en nu. Het “dominante verhaal” is zo alomtegenwoordig, dat we er telkens weer aan herinnerd moeten worden dat er een alternatief is; dat er een ander verhaal is waardoor we ons kunnen laten meenemen en waar we onderdeel van uit kunnen maken. Brueggemann zegt het zo:

Prophetic preaching is an effort to imagine the world as though YHWH, the creator of heaven and earth, the Father of our Lord Jesus Christ whom we Christians name as Father, Son, and Spirit, is a real character and a defining agent in the world (p.23).

En dat is dan meteen de grote uitdaging. Het vraagt een haast profetisch inzicht in wat er gaande is in deze wereld en een groot geloof in Gods optreden daarin. Is God werkelijk bezig met een reddingsplan? Is vrede mogelijk? Is het koninkrijk van God in Jezus echt aangebroken – en hoe dan, waar dan? Heeft het echt zin wat wij in onze onmacht proberen te doen, in navolging van Jezus? Kunnen we iets beginnen tegen de machthebbers van deze wereld, en tegen zoveel onrecht? Hier in Tanzania hoef je niet ver te zoeken om onrecht, armoede en machtsmisbruik te vinden. Waar is God daarin?

De oudtestamentische profeten hadden ook niet altijd alle antwoorden. Ook zij worstelden weleens met de boodschap die ze moesten brengen. Omdat ze de inhoud ervan niet konden bevatten, of vanwege de reacties die ze erop kregen. Jeremia bijvoorbeeld:

… de woorden van de Heer brengen mij dag in dag uit schande en vernedering. Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen, niet meer spreken in zijn naam, dan laait er in mij een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente. Ik doe moeite om het in bedwang te houden, maar ik kan het niet (Jer. 20:8-9).

Een (s)preker van Gods woord kan eigenlijk niet anders dan het verhalen en vertalen van het Bijbelse verhaal. Wie preekt, spreekt niet namens zichzelf, maar vertelt de boodschap die hij of zij vindt in de woorden van de Bijbel. En preekt daarmee misschien nog wel het meest tegen zichzelf. Het alternatieve verhaal moet verteld blijven worden, al lijkt het tegen beter weten in.



Plaats een reactie