Martine van Wolfswinkel

Altijd onderweg – Gedachten over het goede leven


“Vertel eens iets over jezelf”

Als je verhuist en allemaal nieuwe dingen gaat doen, ontmoet je ook veel nieuwe mensen. Mensen die graag willen weten wie je bent. De afgelopen tijd kreeg ik daarom regelmatig de vraag om iets over mezelf te vertellen. In een voorstelrondje, tijdens een sollicitatiegesprek, in de kerk, of op school. Maar ‘vertel eens iets over jezelf’ is nog helemaal niet zo’n makkelijke vraag. Of opdracht, eigenlijk. Het is namelijk nogal afhankelijk van de context waarin je je bevindt, of van de cultuur. Gelukkig hoef je in zo’n situatie maar ‘iets’ van jezelf te vertellen, en niet meteen alles. Maar wat kies je dan, en in welke volgorde? Wat wil je van jezelf laten zien? En wat hou je liever nog even voor je?

In Tanzania heb ik ook heel wat voorstelrondjes meegemaakt. Ook daar is het afhankelijk van de context wat mensen dan zeggen, maar er zijn toch een paar dingen die opvallen. Zo is het heel gebruikelijk om al snel na het noemen van je naam te vermelden of je (wedergeboren) christen bent of moslim (andere opties zijn er eigenlijk niet). Vervolgens is ook je afkomst heel belangrijk: de bevolkingsgroep waar je bij hoort (Maasai, Chagga, Meru, etc.) je familie en je plaats in het gezin. Ben je de oudste zoon, dan heb je andere verantwoordelijkheden dan de jongste dochter, om maar iets te noemen. En zo zijn er nog veel meer dingen die mensen noemen om hun afkomst, rol en positie binnen de gemeenschap aan te geven. Pas in de context van werk komt daar  ook de professionele rol binnen een organisatie of bedrijf bij.

In een westerse context is het precies andersom: eerst noem je je individuele, professionele prestaties. De plaats die je hebt verworven in de maatschappij door je opleiding en je werk. De vraag ‘vertel eens iets over jezelf’ is daarmee bijna identiek aan de vraag ‘wat doe jij eigenlijk?’. Ook je relatie kun je noemen, en of je kinderen hebt. Zelfs dat geeft iets aan van ‘verworven succes’. Heb je een relatie, dan ben je ‘geslaagd’, en als je (gezonde, gelukkige) kinderen hebt al helemaal. Pas in een later stadium vertel je iets over je familie en je afkomst. En misschien ook wat je gelooft.

In Tanzania (en andere gemeenschapsculturen) komt je plaats binnen de gemeenschap vóór je individuele prestaties, terwijl het in onze cultuur eerder andersom is. In beide gevallen is er echter sprake van het bepalen van ‘status’. In een gemeenschapscultuur wordt die status vooral bepaald door je afkomst (waardoor het ook moeilijker is die te veranderen, en een fatalistische houding kan ontstaan), in een individualistische cultuur vooral door je prestaties (waarmee die prestaties dus erg belangrijk worden, en een gevoel van ‘falen’ ontstaat als het niet lukt of dingen anders lopen).

Een middenweg zou mooi zijn. Aan de ene kant de erkenning dat ‘er zijn’ als dochter, moeder, opa, broer, buurvrouw, kerklid, etc. op zichzelf al genoeg is. Dat we ook bestaan in onze relaties, en niet alleen in onze prestaties. Aan de andere kant is ook ruimte voor de ontplooiing van het individu binnen een gemeenschap nodig, zodat talenten kunnen ontwikkelen en gebruikt kunnen worden, ten behoeve van die gemeenschap.

Als mij gevraagd wordt ‘iets over mezelf’ te vertellen, aarzel ik dus even voordat ik reageer. Mijn cultureel aangepaste anwoord zou zijn: “nou, ik heb een goede opleiding genoten, buitenlandervaring opgedaan, nu weer werk in Nederland, en ook nog aan het studeren. Daarbij ben ik getrouwd en moeder van drie kinderen”. Zo’n antwoord voelt veilig en vertrouwd. Statuscheck: geslaagd. Of durf ik het ook eens anders te zeggen? Zoiets als dit: “Ik ben christen, lid van de Morgensterkerk, studeer theologie en stel overal vragen bij, ik lees en schrijf liever dan dat ik de was opvouw (eh… wie niet?) en probeer het moederschap te combineren met een heleboel andere dingen die ook belangrijk zijn. Ik ben de oudste uit een gezin van vier, maar heb die rol (wat die ook moge zijn) een beetje verzaakt omdat ik 12 jaar ben weggeweest. Ik ben bijna 40 en weet nog steeds niet zo goed wat ik wil worden. Maar misschien geeft dat niet, omdat ik op heel veel manieren al iets ben”.

De volgende keer zeg ik dát.



Plaats een reactie